Voorbeeld vermogensopbouw voor DGA in cijfers
Algemeen

Voorbeeld vermogensopbouw voor DGA in cijfers

5 augustus
DoorRutger
Rutger

Rutger vertelt graag verhalen met zijn rol als filmmaker maar hij stroopt ook graag zijn mouwen op om te schrijven. Zijn kennis ligt in storytelling, films en games (design). Verder heeft hij een achtergrond in mult…

Bekijk volledige bio

Een goed voorbeeld vermogensopbouw voor DGA begint niet bij de vraag hoeveel rendement u kunt behalen, maar bij de verdeling van geldstromen. Wat blijft er in de bv voor groei en buffer? Welk inkomen heeft u privé werkelijk nodig? En welk kapitaal moet beschikbaar zijn als u over tien, twintig of dertig jaar minder afhankelijk wilt zijn van de onderneming?

Voor een directeur-grootaandeelhouder is vermogensopbouw per definitie gelaagd. De bv is vaak al de belangrijkste vermogensmotor, maar die onderneming is geen vrij besteedbaar privévermogen. De waarde kan dalen, verkoop is niet altijd eenvoudig en dividend kent fiscale gevolgen. Daarom vraagt een sterke strategie om een combinatie van ondernemingsvermogen, liquiditeit, privébeleggingen en eventueel pensioenvoorzieningen.

De uitgangssituatie: winst is nog geen privévermogen

Neem een DGA met een winst vóór vennootschapsbelasting van €250.000 per jaar. De onderneming is stabiel, heeft beperkte investeringsbehoefte en beschikt al over een gezonde werkkapitaalbuffer. De DGA keert zichzelf een gebruikelijk salaris uit van €75.000 bruto per jaar en wil op termijn financieel onafhankelijker worden van de operationele onderneming.

De fout die in deze situatie vaak wordt gemaakt, is een keuze tussen twee uitersten: alle beschikbare middelen in de bv laten of alles zo snel mogelijk als dividend naar privé halen. Beide routes kunnen verdedigbaar zijn, maar zijn zelden optimaal als standaardbeleid.

De betere vraag is: welk deel van de winst heeft binnen de onderneming een aantoonbaar hoger rendement dan buiten de onderneming? Kapitaal dat nodig is voor voorraad, personeel, acquisities of technologische vernieuwing kan in de bv strategisch meer waarde creëren. Overtollige liquiditeit die geen duidelijke functie heeft, verdient een andere afweging.

Een voorbeeld vermogensopbouw voor DGA met vier potten

In dit voorbeeld wordt de jaarlijkse winst niet als één geldbedrag behandeld, maar verdeeld over vier doelen. De exacte percentages zijn geen blauwdruk. Ze maken zichtbaar dat vermogensopbouw vooral draait om discipline in de verdeling.

Na salaris, belasting, bedrijfskosten en reserveringen blijft er in de bv bijvoorbeeld €110.000 beschikbare kasstroom over. De DGA kan deze ruimte als volgt inzetten:

  • €40.000 blijft in de werkmaatschappij voor groei, werkkapitaal en kansen die zich onverwacht voordoen.
  • €25.000 gaat naar een beleggings- of holdingstructuur binnen de vennootschap, mits het risico en de juridische inrichting zorgvuldig zijn beoordeeld.
  • €30.000 wordt als dividend uitgekeerd om in privé breed gespreid vermogen op te bouwen.
  • €15.000 wordt gereserveerd voor fiscale verplichtingen, toekomstige uitgaven en een extra liquiditeitsbuffer.

Deze verdeling voorkomt dat de DGA volledig afhankelijk blijft van één bron van vermogen: de eigen onderneming. Tegelijk wordt niet onnodig kapitaal aan de onderneming onttrokken terwijl groei nog aantoonbaar rendement oplevert.

Pot 1: waarde in de onderneming

De onderneming blijft voor veel DGA’s de plek waar het hoogste rendement mogelijk is. Een investering in een beter verkoopproces, een ervaren commercieel directeur of een overname kan meer opleveren dan een passieve belegging. Maar dat argument houdt alleen stand als er een concreet plan ligt.

Geld dat jarenlang op een zakelijke rekening staat zonder investeringsdoel, levert strategisch weinig op. Het vergroot de balans, maar niet automatisch de ondernemingswaarde. Bovendien ontstaat concentratierisico: privévermogen, inkomen en pensioenambitie leunen dan allemaal op dezelfde onderneming en dezelfde markt.

Pot 2: beleggen vanuit de bv of holding

Beleggen met vermogen in de bv kan aantrekkelijk zijn wanneer privéonttrekking nu niet nodig is. Het kapitaal blijft dan binnen de vennootschappelijke sfeer beschikbaar. Dat kan uitstel van belastingheffing over dividend betekenen, maar uitstel is geen vrijstelling. Bij latere uitkering naar privé speelt de belasting in box 2 alsnog een rol.

Dit maakt beleggen in de bv vooral een liquiditeits- en timingvraagstuk. Verwacht u het geld de komende jaren te gebruiken voor een bedrijfsinvestering, dan past een defensiever profiel beter. Is het kapitaal aantoonbaar langdurig overtollig, dan kan een langetermijnportefeuille logisch zijn. Houd daarbij rekening met het risico dat beleggingen in de holding of bv bij problemen met de werkmaatschappij goed juridisch moeten zijn afgeschermd.

Pot 3: privévermogen voor autonomie

De dividenduitkering van €30.000 vormt in dit voorbeeld de basis voor privébeleggingen. Na belasting blijft een lager bedrag over om daadwerkelijk te beleggen. Juist daarom is het verstandig om niet alleen naar het bruto dividend te kijken, maar naar de netto koopkracht die u opbouwt.

Privévermogen heeft een functie die zakelijk vermogen niet volledig kan vervullen: autonomie. Het kan worden gebruikt voor woonlasten, opleiding van kinderen, een vervroegde afbouw van werk of een periode waarin verkoop van de onderneming niet wenselijk is. Een brede portefeuille van bijvoorbeeld aandelen, obligaties en liquide reserves verlaagt de afhankelijkheid van de eigen sector.

Wie jaarlijks een consistent bedrag privé investeert, bouwt bovendien een tweede financiële identiteit op naast die van ondernemer. Dat is geen defensieve luxe, maar een vorm van risicobeheer.

Pot 4: buffer en toekomstige verplichtingen

Een buffer is geen restcategorie. Voor een DGA kunnen belastingaanslagen, tijdelijke omzetdaling, arbeidsongeschiktheid, onderhoud aan vastgoed of een financieringsvraag tegelijk spelen. Daarom hoort liquiditeit expliciet in het plan thuis.

De benodigde reserve verschilt sterk per onderneming. Een adviesbureau met terugkerende omzet heeft een ander bufferprofiel dan een handelsbedrijf met voorraad, debiteuren en seizoenspieken. Maak de buffer daarom niet afhankelijk van gevoel, maar van vaste lasten, belastingverplichtingen, financieringsafspraken en de gevoeligheid van de omzet.

Wat kan dit na twintig jaar betekenen?

Stel dat de DGA twintig jaar lang jaarlijks €30.000 netto beschikbaar maakt voor privébeleggingen. Bij een gemiddeld nominaal rendement van 5 procent per jaar groeit deze inleg, exclusief kosten en afhankelijk van fiscale behandeling, naar ongeveer €1 miljoen. Dat is geen voorspelling. Rendementen verlopen onregelmatig en inflatie vermindert de koopkracht.

Daarnaast kan het in de holding opgebouwde beleggingskapitaal van €25.000 per jaar bij hetzelfde rekenrendement uitkomen op circa €825.000 vóór een eventuele toekomstige dividenduitkering. De onderneming zelf kan ondertussen in waarde groeien, gelijk blijven of juist terugvallen. Precies daarom is de spreiding over verschillende potten relevant.

De les uit dit rekenvoorbeeld is niet dat elke DGA na twintig jaar een bepaald bedrag bereikt. De les is dat een jaarlijkse allocatiebeslissing meer invloed heeft dan een incidentele meevaller. Vermogen groeit door herhaling, niet door losse goede voornemens aan het einde van het boekjaar.

De fiscale afweging mag de strategie niet overnemen

Fiscaliteit bepaalt mede welke route efficiënt is, maar mag niet de enige reden zijn om geld in de bv te laten. Een DGA die privé geen vermogen opbouwt omdat dividend belasting kost, kan op termijn een groter probleem creëren: onvoldoende liquide middelen buiten de onderneming en een te grote afhankelijkheid van een toekomstige verkoopopbrengst.

Andersom is een hoge dividenduitkering niet automatisch verstandig. Als de bv daardoor onvoldoende buffer houdt of een groeikans moet laten lopen, kan de belastingbesparing van een andere keuze relatief onbelangrijk worden. Ook wisselende tarieven, regels rond lenen van de eigen bv en de persoonlijke inkomenssituatie maken maatwerk noodzakelijk.

Werk daarom met drie scenario’s: doorgroeien en aanhouden, gedeeltelijk afbouwen en verkopen. Bereken per scenario wat er gebeurt met inkomen, belastingdruk, liquiditeit en besteedbaar privévermogen. Een fiscalist en financieel planner kunnen hier verschillende maar aanvullende rollen spelen: de een bewaakt de structuur en fiscale gevolgen, de ander de haalbaarheid van uw persoonlijke financiële doel.

Begin met een jaarlijks kapitaalbesluit

De meest bruikbare stap is om na afronding van elk boekjaar een formeel kapitaalbesluit te nemen. Niet alleen over dividend, maar over de volledige winstbestemming. Bepaal wat de onderneming nodig heeft, welk bedrag in de holding of bv kan renderen, hoeveel u naar privé haalt en welke risico’s u bewust niet wilt dragen.

Leg die uitgangspunten vast en toets ze jaarlijks aan de realiteit. Is de onderneming afhankelijker geworden van enkele klanten? Dan kan extra zakelijk kapitaal nodig zijn. Is uw privévermogen achtergebleven terwijl de bv sterk groeide? Dan kan een hogere uitkering verdedigbaar zijn. Vermogensopbouw voor een DGA is geen vaste formule, maar een reeks bewuste keuzes die samen bepalen hoeveel vrijheid de onderneming u uiteindelijk geeft.

Relevante artikelen

Bekijk meer